FEHU: de domesticatie van vee vond plaats rond 6000 v.C.
URUZ: tot in het midden van de Middeleeuwen in Europa te vinden. De oeros wordt reeds in Paleolithische tijden afgebeeld in rotstekeningen. Tussen 1200 en 1400 sterft het dier geleidelijk aan uit. In Denemarken verdween de oeros reeds in Oudgermaanse tijden, maar Adam van Bremen (1075) maakt nog gewag van legenden rond het dier. De laatste oeros sterft in gevangenschap aan het Poolse hof in 1627.
THURISAZ: dit woord is alleen in Scandinavische talen overgeleverd. Het Gotische alfatbet noemde deze letter Thiuth, het Oudengelse Thorn.
ANSUZ: de voorvadercultus is in alle Europese culturen terug te vinden.
RAIDO: de wagen verschijnt in Europa maar pas vanaf het begin van de Bronstijd. In Zwitserland is een houten wiel teruggevonden dat dateert van 3000 v.C. . In het Nabije Oosten bestond het wiel al omstreeks 3500 v.C. Rond 1600 v.C. verschijnen strijdwagens in Oost-Europa en het Nabije Oosten.
KENAZ: de uitvinding van het vuur dateert van het Paleolithicum. 80000 jaar geleden was de homo sapiens reeds in staat vuur te maken, onder andere door twee stokken tegen elkaar te wrijven. Dit is een verwijzing naar Nauthiz.
GEBO: de kunst van het geschenken uitdelen was in de Oudgermaanse periode heel populair om diplomatieke redenen. In ruime zin verwijst Gebo naar de handelsroutes tussen Noord en Zuid, in het bijzonder de amberroute, die de Europese economie in stand hield.
WUNJO (endorfine): vreugde. Het stammensysteem is betrekkelijk oud. Daarin komt maar verandering met het aanbreken van de middeleeuwen. Het concept van een nationaal bewustzijn is ook verbonden met Othila.
HAGALAZ: oorlog. Pijlen en speren zijn een Paleolithische uitvinding.
NAUTHIZ (adrenaline): het noodvuur is een gebruik dat in heel Europa bekend is en tot op de dag van vandaag in een of andere vorm nog bestaat. Wellicht is dit gebruik in de Bronstijd ontstaan.
ISA: IJstijd. Het laatglaciaal duurde van 12500 tot 9500 v.C.
JERA: tarwe wordt verbouwd vanaf 7000 v.C. in het Nabije Oosten. Dit luidt het Neolithicum in.
EIHWAZ (dopamine): na de opkomst van berkenbomen verschijnen naaldbomen, waaronder de taxus, na de Laatste IJstijd. Het hout is geschikt om handbogen van te maken. Nochtans maakte men in de oertijd aanvankelijk bogen uit olmenhout. Rond 4000 v.C. verdween de olm en begon men bogen uit taxushout te maken. Dit historisch feit verklaart wellicht de mythe van Ask en Embla, aangezien pijlen uit essenhout gemaakt werden.
PERHTRO: de appel wordt vanaf 10000 v.C. al in het wild verzameld. De Romeinen zijn grotendeels verantwoordelijk voor de verspreiding van appelgaarden en het ontstaan van verschillende soorten in Europa.
ALGIZ: als de naam van een tweelinggodheid, komt het reeds voor in Tacitus' geschriften. Deze godheid moet uit de vroege IJzertijd stammen, aagnezien niets over hem bekend is in de Vikingperiode.
SOWULO: de zonnecultus is in de Bronstijd al duidelijk aanwezig. De Trundholm zonnewagen dateert uit de Scandinavische Bronstijd. De middernachtzon (Hyperion) van het Hoge Noorden is reeds bekend uit de Homerische epen die rond de 8ste eeuw v.C. zijn opgetekend.
TIWAZ: een Oudgermaanse godheid die tijdens de vroege IJzertijd reeds bekend was. Zijn naam verschijnt in een opschrift uit de 2de eeuw v.C. Waarschijnlijk was Teiwaz in die periode de Germaanse oppergod.
BERKANA: de berk is de eerste dominerende boomsoort die na de Laatste IJstijd opnieuw verschijnt.
EHWAZ: de domesticatie van het paard begint rond 3800 v.C. in Oekraïne.
MANNAZ: de homo sapiens begint zijn ontwikkeling in het Paleolithicum. In Europa verschijnt de moderne mens vanaf 40000 v.C.
LAGUZ: offergaven aan het water verschijnen reeds ten tijde van de vroege IJzertijd. De helende eigenschappen van bronnen was bekend onder de Oude Grieken en Kelten. In Mesopotamië bestond reeds het gebruik zich tot water te wenden om een gebed aan de goden te richten.
INGUZ: deze godheid is weinig bekend in de Vikingperiode. Met andere woorden gaat het om een Oudgermaanse godheid.
OTHILA: de mens is overgeschakeld van een nomadisch bestaan naar een sedentaire gemeenschap rond 10000 v.C. Met deze datum begint het Neolithicum. Het concept van Odal of de udal-rechten is redelijk recent, omdat het samenhangt met het bezitten van land. Grootgrondbezit was in de Oudgermaanse maatschappij een nieuwe ontwikkeling. Het vererven van goederen gaat daarentegen verder terug in de tijd.
DAGAZ: in Scandinavië verwijst het concept van daglicht naar de lichte zomermaanden en de donkere wintermaanden. Dit mysterie moet zo oud zijn als er volkeren in het Hoge Noorden geleefd hebben.
Literatuur